601. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 19 juli 1938
U zult het schandelijke artikel van prof. van Rhijn2 in ’t Algemeen Weekblad3 gelezen hebben. In ’t bijzonder prof. van der Leeuw en ik worden er blamerend - niet genoemd - maar met de vinger aangewezen. Wat mijn persoonlijk feit betreft zal ik er op antwoorden in een der grote bladen.4 Ik heb voor alle zekerheid Van Rhijn gevraagd of hij mij bedoeld heeft; heb echter nog geen antwoord. Zeker is, dat ieder het er uit lezen zal. Dit betekent voor mij alvast de breuk met het Weekblad, waarvan ik, zoals u, medewerker ben.5 En het vertrek uit Kerkopbouw zal daarop wel moeten volgen. Het is een Utrechtse kring.6 Ik vraag mij echter af of het raadzaam is, dat wij ons een voor een, of twee bij twee laten afmaken door degenen die daar aan de touwtjes trekken. U hebt mij uitgenodigd eens te komen praten en daarom kom ik u vragen of u mij vrijdag a.s. op een uur dat u ’t best schikt kunt ontvangen. Voor elf uur zal ik van hier uit er wel niet kunnen wezen. Hoe bereik ik U? Van Nunspeet uit? En kan men mij uw buitengoed wijzen? Gaarne zal ik deze dingen met u doorspreken. Zou prof. van der Leeuw ook aanwezig kunnen zijn of is hij nog buitenslands? Op deze toer gaat het niet langer. We zullen een eigen organisatie nodig hebben en een eigen blad.7 Een herstel van de oude formatie lijkt mij, na dit artikel in ’t Weekblad, uitgesloten. Mag ik even uw antwoord? Hoogachtend, uw dw.
O. Noordmans
(APS)