Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

625. O. Noordmans aan P. Scholten1

Laren (G.), 12 mei 1939

Hooggeachte professor,

Mijn dank voor uw brief.2 Over de zaak waarom het ging heb ik nog eens nagedacht. Dat mijn kroniek stil zou staan als de heer Stufkens3 schreef, was blijkbaar ook de opvatting van Patijn,4 die de opmerking maakte, dat ik misschien reeds stof verzameld had voor de volgende kroniek, die dan moest blijven liggen. De heer Stufkens wilde blijkbaar de kroniek als zodanig, als vaste rubriek metamorfoseren. Hij wilde een moment van verrassing daarin aanbrengen, door onverwachte stemmen, zelfs buiten de redactie, daarin te laten klinken. De kroniek was dan geen kroniek meer. Mijn opvatting is, dat in de kroniek God wel voor de verrassingen zorgt door de gebeurtenissen, die daarin opgetekend en gecommentarieerd worden. Maar dat overigens deze rubriek een genre is, dat continuïteit niet kan missen, zonder dat het karakter daarvan zoek raakt. Daarom zou ik u inderdaad willen voorstellen de zaak te laten, zoals die geregeld was. Het schrijven van de kroniek zou heel lastig worden, als daarin ook kleine stukjes van een andere hand voorkwamen, nl. voor hetzelfde terrein. Wat een invallen van uzelf betreft, daartegen zou minder bezwaar zijn. In de eerste plaats, omdat u redacteur van de periodiek is. Maar allermeest omdat er homogeniteit bestaat, naar vorm en materie, tussen uw publicistische existentie en de mijne, ook bij verschil in bijzonderheden. Maar toch blijft ook dan nog een vervanging voor mijn besef dat element van verrassing in zich hebben, dat in een kroniek nu juist niet mag voorkomen. De chroniqueur is een zeer identieke figuur in de literatuur. Daarom acht ik het voorstel-Stufkens ook uit een oogpunt van tijdschrift-leiding absoluut fout. Of dan naast de kroniek een rubriek van verrassingen moet komen, een gelegenheid voor het maken van korte opmerkingen, is een vraag op zich zelf. Een tweede kroniek zou het niet kunnen worden, zonder het tijdschrift tot een verdeeld huis te maken. Ik betwijfel daarom of het aan te bevelen is. Met mijn groeten, hoogachtend uw dw.

O. Noordmans.

(APS)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 624 (9.5.1939).↩

  3. 3

    N. Stufkens, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 4.↩

  4. 4

    C.L. Patijn (zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 6), jurist, redactie-secretaris van Woord en Wereld.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 624. P. Scholten aan O. Noordmans7. Laren626. P. Scholten aan O. Noordmans →