478. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Haarlem, 14 december 1934
Zeer vereerde Noordmans,
Zo opent zich dan toch nog de mogelijkheid, dat u als ‘lerend oudste’ in Utrecht zult komen.1 Ik had het niet gedacht; van alle kanten luidde de mare: dat u te oud was; trouwens dat was 2 jaar geleden,2 en 8 jaar geleden (naast Van Rhijn3 staande)4 ook al zo. Maar het rad van avontuur wentelt zonder richting - en juist zo onder aether-druk van hoger Raad. Ook dat Berkelbach5 weer op het drietal verschijnt, tegen de mos, was een verrassing. Hij begint van zijn geweldig pastoraat moe te worden, daarom gun ik het hem wel - maar anderzijds (en nog afgezien daàrvan, dat hij naast u niet kan bestaàn) hoe oneconomisch6 is het van de kerk om een onvervangbaar stadspastor te maken tot een zeer vervangbaar hoogleraar in de dogmatiek. Deze spijze hebben de jonge mannen, die het ambt begeren, vóór alles nodig - en dat kan nimmer worden goedgemaakt door wat men van Berkelbach verwacht; dat hij de studenten zal ‘enthousiasmeren’ voor het ambt. Hoe het zij, ik verblijd mij van harte mèt u in de geopende mogelijkheid! Met hartelijke groeten, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)