742. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Amsterdam, 6 juni 1945
Zeer vereerde Noordmans,
Hadden wij ons voorgesteld, in welke gevaren u en uw vrouw verkeerd hebben,1 dan zouden wij nog meer zorg gehad hebben. Het schijnt nog achteraf in uw relaas een reeks Jobstijdingen. Hoe wordt het leven vernederd, dat het geen gevoel meer laat ontluiken, want het kàn ook niet. De Boze heeft ons hart geteisterd - zolang tot we zelfs te moe waren om tot een Jobsvraag te komen. De Pinkstergeest, niets minder en geen ander dan Hij, zal ons tot nieuwe levenslust en ware stervensmoed moeten opwekken. Hij, die Héér is en levend maakt!2 Wij ‘leven’ allen nog zogenaamd. Voor feestvieren ontbreekt de fut. De apathie ligt over ons gelaat en door onze leden. En toch is de dankbaarheid onuitsprekelijk groot - uitgeleid te zijn uit het diensthuis van de Anti-Messias. De offers liggen echter nog langs de wegen en we willen noch kunnen de ogen afkeren! Wat Mevrouw Koopmans betreft, ze is uit Breukelen, waar ze kuurde,3 teruggekeerd in het huis, dat nu 1⚑_ jaar geleden werd verlaten, met het oog op haar ziekte. Ze is nog lang niet de oude en heeft, zoals trouwens ieder huis, de grootste moeite een hulp te krijgen. Ook in de eenvoudige outillage van het bestaan werd de wanorde fnuikend. De kinderen zijn mij vaak een vaste troost om aan te zien, ofschoon niet zonder weemoed, waarmee we geen weg weten. Hartelijke groeten aan u allen, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)