484. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
8 januari 1935
Zeer vereerde meester,
Ik hoor daarnet het nieuws aangaande de benoeming in Utrecht. Een treurig nieuws! Misschien moeten wij u met rust laten; maar de gedachte, dat het u toch misschien ook wel goed zou doen, iets te horen van anderen, die hebben meegeleefd, drijft me toch ìets te zeggen. Dit schreef ik aan Berkelbach:1 ‘Altijd vooronderstellend, gelijk ook in mijn vorig briefje naar aanleiding van het drietal, dat je het zelf zeer begeerd hebt, dus inkomende in je strijd, teleurstelling en nog restende idealen, wensen wij je van harte geluk. Dei providentia? hominum confusione?2 Al wil ik trachten het eerste te geloven en op grond daarvan ook een bijzondere zegen inwachten op je nieuwe werk, ik kan me niet losmaken van de neerslachtig-stemmende indruk van de confusio hominum juist in dit geval. En - wat men ook zegge - het blijft een groot onrecht tegenover Noordmans. Ook de Barth-affaire3 en daarmee verbonden speculaties kan niet tot rechtvaardiging daarvan dienen. enz.’ Te troosten heb ik overigens niet, tenzij het u iets zegt, dat ik en vele jongeren diep-bedroefd zijn over deze oneconomische daad der heren onder wier regiem wij verkeren. Overigens heb ik zelf ook veel geleerd, en ben vast besloten een afgelegen weg te gaan, opdat de practicalen niet een oog op mij doen vallen vroeg of laat, om mij te laten vallen. Gij hebt nooit een gebaar gemaakt, om de aandacht te trekken; ik misschien wel -; maar vanavond rijst het ama nesciri4 als een wezenlijk ideaal voor mij op. Met hartelijke groet, Uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)