Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

617. K.H. Miskotte aan O. Noordmans

Amsterdam, 27 maart 1939

Zeer vereerde dr. Noordmans,

U hebt mij in zake mijn vraag over De Hartog1 wel erg afgescheept (ik kan geen beter woord vinden, vergeef mij) met de herhaalde aanduiding van het geheim, maar ik zal er natuurlijk verder en graag over zwijgen. Ik dank u voor uw woorden over De Vreemde Vrijspraak. Vooral omdat ik zeer teleurgesteld ben door de recensies. Mijn verwachting, dat men dit nu eens zou herkennen en erkennen, is niet vervuld. Vriezen2 bijvoorbeeld in De Nederlander vindt op p. 44 ‘fundamentalisme’!,3 beklaagt! de banbliksems, ziet de eenheid niet, noch het bijzondere en beveelt het tenslotte warm aan als... belijdenis-geschenk. Mag ik op u een beroep doen en u vriendelijk vragen, het in Eltheto of waar u de gelegenheid krijgt, anders en beter te laten zien?4 Met vriendelijke groet, uw dw.,

K.H. Miskotte.

(AN)

Noten

  1. 1

    A.H. de Hartog, zie brief nr. 154 (23.11.1901), n. 1.↩

  2. 2

    Th. C. Vriezen (1899-1981), herv. pred. te Tubbergen en Sittard, leraar godsdienst te ’s-Gravenhage 1929, hoogleraar OT RUG 1941, RUU 1956-1969 em.↩

  3. 3

    Het gaat om de volgende passage in een beschouwing over ‘Prediker’ in De Vreemde Vrijspraak (44): ‘Gemeente des Heeren! met deze gewrongen beschouwingen en listige uitvluchten lasteren wij het Woord Gods. Dan loochenen wij, dat de Schrift van Genesis tot de Openbaring van Johannes volwaardige verkondiging omtrent de heilswaarheid is. Wij hebben geen enkel recht ons zelfbewustzijn te sterken aan dit boek, integendeel wij stellen ons schuldig in Gods gericht met onze betweterij. God neemt den ‘prediker’ in bescherming en zegt precies zoo als toen het volk Israël rebelleerde tegen Mozes: ze hebben niet u, ze hebben Mij verworpen. Want in deze klachten en bekentenissen is het zuchten des Heiligen Geestes over de verlorenheid der gansche creatuur. Wee ons, wanneer wij tevreden zijn, terwijl de Géést nog klaagt over de wereld. Wee ons, indien wij de Genade verachten, die ons vergezelschappen wil in onze éllende, wee ons, wanneer wij voor alles oor hebben behalve voor de benauwenis der schepselen, die met opgestoken hoofde verwàchten, dat eenmaal de kinderen Gods zullen openbaar worden in de vrijheid hunner heerlijkheid (Rom. 8:21).’↩

  4. 4

    ⚑ON gaf geen recensie van Miskotte’s boek.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 616. O. Noordmans aan K.H. MiskotteLaren Gld.618. Ph. Kohnstamm aan O. Noordmans en W.A. Zeydner →