967. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 30 maart 1955
Zeer vereerde Noordmans,
Zo reikt uw hand mij nog in het land der levenden deze goede gave1 toe. De gave was ons beloofd; ik had er al lang naar uitgezien, het was ook allang aangekondigd. Toen het boek uitbleef, heb ik gedacht: de meester zal het sterk òmwerken om de stille systematiek aan de oppervlakte te brengen, òf (andere mogelijkheid, die mij plaagde, omdat ik geen gerucht meer over uw toestand opving) hij is zo zwak, dat hij er niets meer aan doen kan en de correctie zelfs traag gaat ondanks de hulp van (eventueel) een leerling of een huisgenoot. Ik kende alle stukken: toch zijn ze mij nieuw, als ik ze achter elkaar lees; ik weet dat ik ze zelf als gastheer heb uitgenodigd en ontvangen; en toch voel ik dat ik nu de gast word, door u tot het maal genodigd. Er blijft mij niet anders over dan te danken voor het verschijnen van dit geweldig fresco van pneumatische bijbelse geschiedenis en in het bijzonder voor het faktische geschenk en de opdracht,2 die u zo goed was voorin te schrijven. In gedurige gedachtenis aan alles wat wij u te danken hebben, uw dw.
K.H. Miskotte.
(AN)