483. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Haarlem, 29 december 1934
Zeer vereerde Noordmans,
Ik ben zeer teleurgesteld, dat er nu tòch nog iets tussen kan komen en de stoel1 u toch nog ontgaan zou. Niet de kèrk, dunkt mij, behoort Barth een professorskans2 te geven, maar wat ik daarover denk, zal misschien verward en onhoudbaar zijn, eenvoudig omdat het feit van deze kink in de kabel mij zo hevig hindert -- En ú - in nationale stijl tot het bittere eind! - zegt alleen dat ‘we zullen afwachten wat de Synode doet.’ Ook vergissen en verlezen is nimmer zonder óórzaak - zo zegt het iets, dat ik pas de tweede keer ‘Synode’ las en de eerste maal ‘Genade’. sic! Veel dank voor uw brief vanuit de feestdagen-pauze geschreven. Mij ontbreekt de tijd om over de theologische interpretatie van ‘leven’ te zeggen, wat ik zou willen zeggen in verband met het ‘gegevene’, de ‘openbaring’ en de ‘gerichtheid-op-het-einde’. Ook een beetje de lust, want ik voel wel hoe u, onopvallend, op ’n zeer Hollandse, heuse, bijna hupse wijze, ‘mijn oordeel’ railleert; natuurlijk, het is vanuit uw hoogte een beetje dwaas mij te horen verklaren, dat u toch geen dialectische ketter bent. - Alleen nog iets over dat ‘nationale’ in de theologie. Als theologisch argument kan ik het - hoe ook aan - of uitgekleed - niet laten gelden; maar zelf voel ik me - ondanks de schijn van het tegendeel wellicht - zeer met de geest en wijze mijns volks verbonden. Nu is het eigenaardig, dat, laat ons zeggen Huyghens,3 Potgieter4 en Verwey5 (om drie dichters te noemen, die, zonder het te sublimeren, het nationale levensgevoel op sublieme wijze vertegenwoordigen) werkelijk iets vertonen van dat pragmatische in het geestelijke, van de diepe moed om nuchterweg verschillende dingen (óók echt-Hollands: voor de geestelijke werkelijkheden, voor de noëmatische wereld niet alleen geen ander woord te hebben, maar het ook, zonder veel omslag en met een zekere brutaliteit te gebruiken) zwevend te laten. De theologen daarentegen (laat mij die noemen, die ik nogal nauwkeurig ken) Junius,6 Voetius,7 Comrie8 zijn heel anders. Ik geef toe, dat ze niet de haast-gnostische drang tot het systeem hebben van de lutherse scholastiek, maar ze zijn toch allerminst tevreden met loci. En omdat hùn systematiek zo hopeloos onwijsgerig is (wijsgerig bedoel ik hier in de zin van formeel-redelijke doorlichting van het woordgebruik, elementaire syntaxis van het denken) ontstaat iets, dat mij tégenstaat. Van Heusde9 en de latere ‘empirische’ Opzoomer,10 de doopsgezinde Hoekstra,11 ook Beets12 wel, doen mij aan als Nederlanders van het type Huyghens-Potgieter-Verwey. Kuyper echter in het geheel niet - en toch heeft hij onder ons volk òpgang gemaakt; ook de omgang in de gemeente leert, dunkt mij, dat de Nederlandse calvinist door niets zozeer in zijn rust, ook in zijn religieuze vrede, gestoord wordt dan door het idee alleen, dat men iets zwevend zou kunnen laten. En dit type triomfeert meer en meer. Is het werkelijk, dank zij een verslapping van de volksaard, of is het inderdaad omdat deze juist daarin zichzelf eindelijk uitviert? Ik moet ophouden, ’t is zaterdagmorgen en ’k heb voor m’n drie aanstaande predikaties nog niets. Och, laat uw licht eens schijnen over het bovenstaande; het is slechts in schijn een bloot-formele en - culturele vraag; maar dat behoef ik u juist niet te zeggen. Met hartelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)