370. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Meppel, 25 juli 1928
Hooggeachte Noordmans,
Onder de lectuur van Bernanos’ Sous le soleil de Satan1 betrapte ik me voortdurend op de gedachte: ‘Zou Noordmans het kennen? Hij zal het kennen, denk ik. Hij moet (soll) het kennen.’ En daarom schrijf ik u nu; alleen dus om u op dit buitengewone boek opmerkzaam te maken. Ik durf in het uitspreken van mijn vermoeden niet ver te gaan; u bent van een merkwaardige geslotenheid, met name tegenover mij; maar ik meen dat dit boek niet alleen een vraagstuk bevat dat u boeit (de verzoeking de religie te ervaren als verzoeking) maar dat het u ook existentieel aangaat. U zult u door de Prologue2 niet laten teleurstellen - Daarna begint het onmiddellijk. Misschien zoudt ge na de lezing zo vriendelijk willen zijn, aanduidenderwijs iets over deze schriftuur te zeggen; maar wàt u ook wellicht door uw buitengewoon indringend vermogen voor verrassende belichtingen geven moogt, mijn overtuiging, dat dit één van de allervreselijkste en allerdiepste openbaringen is van de principiële Krisis der religie, staat vast. Met de meeste hoogachting, uw dw.
K.H. Miskotte.
(AN)