828. K. H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 4 juni 1948
Hoogvereerde Noordmans, lieve leraar,
Uw stuk over de Heilige Geest1 heeft me zo aangegrepen, dat ik het u zeggen wil. Ja, dat God zijn werk wil overdoen,2 zo ‘antropomorf’ het moge klinken, dàt hebben we steeds beleden zònder het te weten. En dat de ‘heiligheid’ de grond en de glans is van het berouw (!!) des Heren. Toen ik er een poosje over mediteerde, sprongen de tranen mij in de ogen. De duivel sist: sentimentele oude heer! gevoelige deugniet! - En dan de ethiek van dit eerste en laatste! in het trouw-zijn van de apostelen en de jongeren: ‘Als God voor u de God van vandaag is geworden, dan deelt ook gij in de herschepping en doet er aan mee’.3 Er streek een nieuw morgenlicht over mijn hart. U zegt: er is iets onweerstaanbaars in deze apostolische levenshouding -- en dat geloof ik ook; ik ervaar het aan mezelf; u bent voor mijn hart onweerstaanbaar en wat anderen gekunsteld vinden spreekt mij aan als Gods eigen troostwoord. Maar wel benauwt het mij, in uren als deze, dat het heilsgevóél me overrompelt, te denken over mijn staat en het voert tot de zwartste twijfel toe - of ik wel ooit gelóóf, ooit gelóófd heb, of het niet alles is ‘anempfunden’ via opvoeding, preken, lectuur, ambtskeuze, dwang zelf te preken en dus te denken en te voelen in de gewone baan tussen het Boek en de mensen heen en weer. En als ik bijv. Dokter4 lees (in ditzelfde nummer van In de Waagschaal), dan bij déze, voor mij niet dwingende, redeneringen (want de naastenliefde in concreto acht ik bestaanbaar zonder de waarheid van het dogma te kennen of te erkennen), dàn bij deze historisering van de sessio ad dexteram5 wordt het me weer van de intellectuele kant na aan het hart gelegd: de vraag naar de waarachtigheid: gelóóft ge dat? neen, ik kan er niets bij denken, ik kan me er niets bij vóórstellen, men kan het alleen ná-zeggen! en ik heb het alleen nágezegd omdat ik iets moest zeggen, toen ik eenmaal dominee was en het goed (d.i. orthodox) wou zijn. Nu is Dokter misschien anders te duiden, maar die twijfel zowel aan de waarheid als (vaker) aan de echtheid van mijn geloof (voorzover ik geloof) verlamt me. Vraagt u, hoe dat zo openbáár geworden is, dan zeg ik: ’t komt sedert Leiden! ’t komt omdat ik niet opgewassen ben tegen deze koude sfeer en passief word, maar bovenal ’t komt, omdat ik niet meer behoef te préken, en dus niet meer gedwongen ben ná te zeggen, wat een gemeente zegt en zingt - (wel kerk ik trouw). ’k Behoef niet te préken, ik doe het ook niet en ik ben er blij om. Sinds de dood van mijn vrouw en van mijn Alma kan ik alleen teren op de oude getuigenissen (of beweringen!). Zo kwam De Blijde Wetenschap van 19426 - zo Uitkomst van 19327 zo Om het levende Woord van 1934 en 1940/41.8 Sinds de dood en het indachtig -worden aan de geestelijke ontrouw en het begáán van een eigen, eenzelvig leven nú, onder de schijn van met de kinderen mee te leven, sinds ik de herinnering niet als centrum tot herordening heb kunnen behouden, lijk ik leeggelopen. Wanneer mijn verkalkte hart dan wordt aangegrepen door uw woord, twijfel ik een ogenblik aan de twijfel, verwerp mijn verwerping, geef het òp mij-zelf òp te geven, verlies het vreemd behagen in het verloren-gaan van de tijd. Voor een ogenblik! Ik ellendig mens! hoe zal aan het geknoei ooit een einde komen?9 ik heb geen pastoor, dien ik m’n vertrouwen kan schenken dan hem wiens woord me telkens uitbeurt uit de maalstroom der mistroostigheid. Denk aan mij, als het kan, in genegenheid, bid voor mij! en zeg eens iets, zeg eens met toepassing op mij, arme, of ik wel ooit iets anders ben geweest dan een bedrieger en hypocriet, zeg eens wat de tranen betekenen van deze murw-gemaakte en toch onbekeerde (wil mij schijnen) oude heer, als hij leest, dat God zich laat vallen als wij vallen... Dat dit moest overkomen aan iemand, die, bij God, ziel, de eeuwige jeugd had gezwóren!! Misschien is het de reprobatie juist van deze eigenmachtige eed! Dit gejammer is misschien niet zo egocentrisch als het schijnt - inzoverre als mijn werk in Leiden en voor de kerk hangt aan een hernieuwde jeugd in mij. Vergeef me, zeer vereerde vader, m’n indringerigheid. Met vriendelijke groet,
K.H. Miskotte
(AN)