477. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Haarlem, 28 november 1934
Meester,
Uw Herschepping1 heeft mij heel veel goed gedaan, aan verstand en hart. Mijn bewondering treedt buiten de gangbare, begaanbare oevers; - er blijven alleen uitroepen over, zoals de kinderen, de psalmisten en Gezelle2 die hebben: hoe groot, hoe liefelijk! - wat een stofbeheersing, wat een stille systematiek, een éénheid van lijn en stroom, hoe liefelijk is mij de humor, waarmee u bij voorkeur de geweldigste dingen zo langs de neus heen zegt - mij ontbreken de woorden (en dàt zegt wat, immers ik pleeg een ontembare kletskous te zijn, voor geen groot gerucht zelfs vervaard), werkelijk, u hebt uzelf overtroffen. Ik loer al dagen op een ruimte in mijn dagverdeling, om u uitvoerig te kunnen schrijven, maar het lukt ook vandaag niet - daarom wil ik niet langer uitstellen de eenvoudige hulde, die ik u heb toegedacht en die u zo ten volle toekomt. Meester, heb dank! Of het boek aan het doel der superieuren beantwoordt? Ik betwijfel het, een mens moet al heel wat doorstreden hebben, om over de eenvoud uwer wendingen niet (in zijn ‘eenvoudigheid’) héén te lezen! de loutering der klassieke termen zal ook ontgaan aan de doorsnee - kamp - of conferentie-leider;3 op verschillende wijze, al naar het milieu waaruit hij komt; komt hij uit buitenkerkelijk milieu, dan hoort hij in de termen niet de strijd en wat werd àfgestoten; komt hij uit kerkelijke kring, dan zal hij allerlei secondaire inhoud vrolijk in de termen weer indragen. Voor mijn kring over het Dogma zal ik het toch met uw boek proberen. Of er te vragen overblijft? Natuurlijk! Maar ik voel me in de geest gehéél met u verwant; het gevaar uwer terugval in continuïteit, die naast de goddelijke continuïteit van het Verbond aanspraak maakt op een eigen waardij, is hier maar zelden te bespeuren, want ik meen, dat bijv. de woorden blz. 29 over ‘het meegaan van Vader, Zoon en Geest in de tijd’ kunnen worden opgevat in de zin, die ik destijds in de samenspreking AMJV gebouw4 heb ontwikkeld. - Moeilijkheden brengt voor mij de stelling, dat scheppen geen vormen maar scheiden is; ik zou dit nog wel kunnen overnemen, maar dan in die zin dat aan het ‘scheiden’ het ‘zetten’, het ‘stellen’, het ‘roepen’ (Buber-vertaling Gen. 1)5 voorafgaat; anders laten we in het kielzog van onze kritische vaart -naar-het-einde, bij de diepgang, waarmee wij de geschiedenis in de schepping inbrengen het oude probleem der hulè6 achter. Ook het stuk der ‘voorzienigheid’ laat een prioriteit aan het bloot-gegevene of aan het daemonisch-werkzame, die eerst het al ten kwàde hebben gedacht (want veel minder dan het Al kan het niet wezen, daarin moet ik Marcion7 bijvallen). Ook dat bevredigt mij niet, hoewel ik zeer begérig ben, overtuigd te worden. Maar ik derailleer - uw boek, zeer vereerde Noordmans, is zo boordevol heerlijkheid, dat ik zo graag àlles zou willen begrijpen wat de Meester zegt - daarom kom ik juist te spreken over die pàar dingen, die ik nìet begrijp; - intussen blijft in waarheid mijn hart vol dank. Het gezegde over de gelijkenis als toepassing der Vleeswording,8 over de verschillende schema’s, waarin beurtelings over de leer des Geestes gesproken moet worden,9 over de absolute kritiek des kruises, die wel ontspannen wordt in het christelijk leven, maar niet vergeten.10 Als ik p.176 beneden11 met name met veel instemming lees, is het niet omdat daaruit blijkt, dat u mijn dissertatie12 goed hebt gelezen, maar omdat ik in mijn aarzelend neergezette lijnen door uw gezag bevestigd word: meer spel dan arbeid / geen regelrechte betrekking op de voleinding. Nogmaals mijn grote, zwakke, welgemeende dank. Met hartelijke groet, uw dw.,
K.H. Miskotte.
P.S. Nog wel bedankt voor uw schriftelijke beoordeling der Korte Nabetrachting;13 dat is natuurlijk waar, dat de dialektiek erin enigszins overspannen is, en toch is het heel natuurlijk, zonder overleg, al schrijvende van week tot week, zo geworden.
(AN)