830. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 17 juni 1948
Waarde Miskotte,
Vanzelfsprekend ben ik, nu ik je brief van 4 juni j.l.1 ga beantwoorden, een beetje verlegen in de rol van biechtvader, die je mij toedeelt. Er zijn echter ambten, waarvoor men zich niet mag excuseren en zo wil ik dat dan ook nu niet doen. Waarbij ik dan echter wel in het oog wil houden, dat onder ons, protestanten, de biecht een sterk accent van wederkerigheid heeft. En in die zin is je brief natuurlijk ook geschreven. Ik heb maar een vrees: er in mijn antwoord misbruik van te maken. En daarom heb ik met dat antwoord ook even gewacht. Ik onderscheid daarom al dadelijk tussen twee omstandigheden bij de aanvechting: de meer uitwendige (Leiden) en de inwendige (Miskotte). Ik zie heel duidelijk welk een verschil dat maakt of je in Amsterdam, waar toch in sommige opzichten het hart van Nederland klopt, iedere zondag voor een grote gemeente met een zeker geweld het evangelie moet prediken of dat je in Leiden - uitgesproken in Leiden - college moogt geven. Dat is een enorm verschil en ik denk onwillekeurig aan Gunning in de jaren omstreeks 1890, die er ook onder leed.2 En toen was het in vele opzichten nog heel wat erger. Deze overgang van Amsterdam naar Leiden van pastoraat naar professoraat moet moeilijk zijn en het zou ongewoon en onbegrijpelijk zijn, als dit geen menselijke moeilijkheden opleverde. En dan is er de meer persoonlijke omstandigheid, de ontwrichting van je gezinsleven. Op zulk een gewelddadige wijze.3 Het verblijdt mij dat je weer enigszins op de nieuwe levensomstandigheden ingesteld raakt, maar het verwondert mij allerminst dat daarbij veel inwendige spanningen ontstaan. Hoe zou dat kunnen uitblijven. God heeft je staande gehouden; dat is een grote zaak. Maar er is eigenlijk nog een derde, een nog meer persoonlijke zijde aan deze dingen, zonder dat dit nog het eigenlijke is. Ik bedoel de psychologische zijde, wat ik daar straks bedoelde met: Miskotte. Voor een absolute twijfel is niet iedereen even vatbaar. Sommigen helemaal niet. Het geloof is toch altijd al als een mosterdzaadje in een hooiberg. Maar deze vergelijking stelt toch velen gerust en zij leggen zich daarbij neer. Er zijn er echter ook - Pascal behoorde er toe4 - voor wie dit geen geruststelling is. Zij nemen geen genoegen met de definitie van Calvijn, dat er wel twijfel rondom het geloof is, maar niet in het geloof.5 Deze ruimtelijke en kwantitatieve voorstelling lijkt mij ook weinig afdoende. Het geloof is het hart, het leven in beweging naar God en Zijn Woord. Komt deze beweging in de reflectie of in de aarzeling te veel tot stilstand, dan krijgt het ongeloof dadelijk een kans of liever, dan is het ongeloof er. Vandaar de exercitiën6 bij de lieden van de Nadere Reformatie, in parallellie met Rome. Deze activiteit is echter niet de van God gegevene maar steeds enigszins op ons goeddunken gegrond. Wij moeten daarom - paradoxaal gezegd - de sterkte van ons geloof aan God overlaten. Wij mogen hier niets forceren. Dat geldt zowel van de helderheid van onze geloofsvoorstellingen als van de intensiteit van onze gevoelens. Er is, meen ik, aan een teren op herinneringen niet helemaal te ontkomen, evenmin als aan een traditie door opvoeding. Iedereen voelt dat als hij sommige dwaze ouders hoort zeggen, dat zij hun kinderen later zelf een God willen laten kiezen. Ik bestrijd dat altijd met op te merken, dat zij hun dan ook de gelegenheid hadden moeten geven hun ouders te kiezen, want dat zij ’t nu slecht getroffen hebben. Wij bevinden ons van huis uit in bepaalde voorstellingen en tradities en de beweging die daarin zit kunnen wij niet ontberen. Shakespeare heeft zijn voorgangers bijna restloos in zich opgenomen en Jezus heeft geen tittel of jota van de wet laten vallen.7 Daarom geloof ik dat wij voor een heel hoog procent in een zekere betrekkelijkheid verkeren, waaraan wij niet ontkomen, zonder ongelovig te worden. Ons eigen geloof is ingebed in het geloof van anderen en van ons zelf in vorige tijden en van deze basis uit werkt de Heilige Geest in ons in glossolalie en krachtbetoon. Dat zijn gaven. Wij mogen ons zelf niet in een zekere scrupuleusheid terughouden als er een vuurtong uitslaat, maar wij moeten de gave bevestigen. Deze bevestiging kan niet plaats hebben zonder dat het geloof, als de reflexie er zich mee bemoeit, meer als een mosterdzaad in een hooiberg verschijnt. Maar dat is niet de juiste verhouding: De werkelijkheid is, dat het geloof de hele hooiberg in brand steekt. Het is in wezen ‘actus purus’,8 een gave Gods en geen eigen reflexie. Het is de hoogste nuchterheid. Men kan er zich alleen maar aan overgeven in gehoorzaamheid en deze overgave is eenvoudiger dan enige andere handeling in ons leven. Men kan er - evenmin als de beroemde advocaat Lemaître,9 toen hij een schitterende praktijk neerlegde en zich bij Port Royal terugtrok, het tegenover zijn vrienden kon doen - geen reden van geven. De keuze was, zoals hij het uitdrukte, ‘bon en soi-même.’ De geloofsrichting is onomkeerbaar. Men neemt God bij Zijn Woord. Men doet dat eenvoudig. Men spreekt Hem niet tegen. En men spreekt zich zelf ook niet meer tegen, als men het doet. Ziehier mijn antwoord als biechtvader. In protestantse wederkerigheid. Ik mocht niet veel over het hooi praten; alleen over het mosterdzaad. Hoe gaat het je overigens en je kinderen? Ik zit de laatste maanden wat te tobben met een ingewandskwaaltje. Ik ben op halve kracht. Met hartelijke groeten,
O. Noordmans.
(AKHM)