256. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Meppel, 4 februari 1910
Amice frater,
Lag ik, eilacy, niet reeds enige dagen te bedde met influenza, de post hadde reeds tijdinge gebracht om te verklaren hoe je er hier afgereden bent. Laat ik eerst even mijn hart luchten over kiescolleges, die sa sinnig binne als in hin mei in glezen gat.1 ’t Zaakje stond in zoverre goed, dat je op ’t grostal2 op een na ’t hoogste aantal stemmen kreeg. Waarschijnlijk ook de reden waarom men dadelijk er op uit is gegaan om te horen. Men trof je niet thuis en reisde toen ’s morgens 5 uur uit Makkum naar Midlum. Onderweg ontmoette men twee personen - aldus luidden de berichten der hoorders - die beiden zeer over Marang3 roemden en zeiden: “Als je die gaat horen, behoef je niet meer naar Noordmans toe, want dit is wel een knappe man en een goede man, maar hij heeft lang zoveel kanselgaven niet als Marang.” Dit waren twee geheel verschillende personen, uit zeer verschillende plaatsen. Dit bericht werd in de vergadering van ’t kiescollege neergelegd. En nu was dadelijk de meerderheid er toe besloten, om je nu ook maar niet op ’t twaalftal te zetten, die uilen, zou ik haast zeggen. Wel kwamen er nu absurditeiten op, waarvan men eigenlijk geen goed en geen kwaad wist, alleen advies van de een of andere ongenoemde broeder uit een ongenoemd oord, door een der leden van ’t kiescollege met enig gewicht ter tafel gebracht. We weten: de Heer regeert. Maar Hij doet ’t vaak door uilskuikens. Intussen - ’t twaalftal had ik je graag toegewenst, ook wel ’t drietal. Maar of ikzelf je Meppel zou toewensen, weet ik niet. Ik heb altijd ’t gevoel gehad, dat men hier een ander soort mensen moet hebben als wij zijn. Juist meer dat drukke, praterige, doenerige slag. Zo zijn de lui hier ook. ’k Heb twee jaar werk gehad om wat thuis te raken, hier. De laatste 1⚑_ jaar kreeg ik vat op de mensen. Toch heb ik hier nog nooit een heel rustig gevoel gehad. Hoe anders in Haamstede vaak. Met hartelijke groeten, tt.
Nus Brouwer.
(AN)