255. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Meppel, 24 januari 1910
Amice frater,
Misschien ben je gisteren wel geschrokken van de hoorders die uit Meppel je kwamen beluisteren. Ik zelf eigenlijk ook. We hebben pas een grostal1 gevormd l.l. vrijdagavond2 en ik had er geen erg in dat de eerste reis mee naar Skuzum zou zijn. Anders had ik je wel even op de hoogte gebracht. Wij moeten geloven dat ’t zo moest zijn. Nu kom ik tot je met een wel wat rare vraag in deze omstandigheden. Doch daar wij elkaar kennen, ook weer niet raar. Er wordt nl. ook gesproken over Marang van Midlum,3 zelfs wordt er door sommigen op aangedrongen. Nu ken ik hem absoluut niet, maar ik hoor dat hij heel gemakkelijk en goed moet spreken, doch ook dat hij in de omgang een onmogelijke man moet zijn. Nu is dit misschien wat sterk, maar als er twee predikanten in een gemeente staan, dan moet de een de ander niet van de steentjes aflopen. En hiervoor vreest men. Een paar kerkeraadsleden vroegen mij of ik er ook iets van gewaar kon worden. Vandaar dit schrijven, waarop ik zo mogelijk heel graag dadelijk antwoord had. Hier alles wel. Hoe gaat het jou en J.H.?4
Met hartelijke groeten, tt.
A.M Brouwer gezegd Nus.
(AN)