Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld.

Weergave
Passages naar Readwise sturen

494. A.M. Brouwer aan O. Noordmans

Utrecht, 14 januari 1935

Amice frater,

Op Woudschoten1 sprak ik Van der Leeuw, van wie ik vernam dat je mij heel kwalijk neemt de wijze waarop ik te Zwolle over ’t tal gesproken heb.2 Dit doet mij meer leed dan ik kan zeggen. En ik wil graag je verzekeren, dat het mij buitengewoon spijt dat ik blijkbaar niet de goede toon getroffen heb. Laat ik je mogen uitleggen wat ik bedoelde. Wij hadden die dag samen vergaderd, zoals altijd in de beste harmonie. Over enkele dagen moest ik in de synode een advies uitbrengen. Ofschoon ik persoonlijk je graag naast mij had gehad en graag met je had samengewerkt, meende ik voor mijn geweten niet verantwoord te zijn, te adviseren Berkelbach3 te passeren. Toen Cramer op 58-jarige leeftijd benoemd werd,4 heb ik mij kras uitgelaten over een benoeming op die leeftijd. Nu het een vriend van mij gold, kon ik niet zeggen: nu is ’t bezwaar vervallen. Was het alleen dogmatiek geweest, dan stond ’t nog anders. Maar de synode belast ons nu eenmaal met een dubbele taak.5 Ik meende daarom eerlijk tegenover je te handelen, als ik dit zei. ’t Was voor mijn gevoel geniepig geweest, samen te vergaderen en te eten, en dan straks op de synode niet voor je te adviseren. Nu heb ik niets positiefs van waardering gezegd. Wij kennen elkaar nu ongeveer veertig jaren. Ik meen, dat ik wel zoveel blijk had gegeven van mijn hoge waardering voor je werk, dat dit een vaststaand, niet nader nog eens te benadrukken feit was. Bij ons samenwerken in Kerkopbouw heb ik dat dunkt mij in de praktijk ook getoond. Zelfs is mij verweten, dat ik verschillende dingen had aanvaard en verdedigd ‘onder de zweep van Noordmans.’ ’t Was dus ook anderen niet onbekend gebleven, dat ik grote waardering voor je had en graag naar je adviezen luisterde. Ik kan nu niet anders doen, dan je dit nog eens te verzekeren en de hoop uit te spreken, dat je nog eens in moogt zien, dat ik alleen uit drang om geheel objectief in mijn oordeel te zijn, je niet zo verdedigd heb, als ik als vriend zou hebben gewild. Daar ik mij in deze volkomen zuiver weet, kan ik alleen mijn groot leedwezen uitspreken, dat nu de band tussen ons dan toch verbroken schijnt te zijn.6 Ik zeg: schijnt te zijn. Ik hoop nog, dat hij van jouw kant weer hersteld kan worden. Van mijn kant hoeft er niets te veranderen, want ik blijf je even hoog stellen als ik steeds gedaan heb. Met hartelijke groeten, tt.

A.M. Brouwer.

(AN)

Noten

  1. 1

    Op 14 en 15 januari vond een moderamenvergadering van KO op Woudschoten plaats. ON was afwezig. Brouwer geeft het volgende verslag van zijn gesprek met Van de Leeuw: ‘Aangekomen (op Woudschoten, red.) nam v.d. Leeuw mij ter zijde om mij mede te deelen, dat Noordmans niet kwam en heel boos was op mij, omdat ik zonder eenige waardeering voor al zijn werken, hem ‘met de door God geschonken jaren in ’t gezicht had geslagen.’ V.d. Leeuw had geantw. dat hij niet wist wat ik gezegd had, maar dat hij er toch ook in kon waardeeren de oprechtheid. Ik vertelde hem, hoe ’t was gegaan en wat ik gezegd had en dat ik de waardeering na 40-jarige vriendsch. sous entendu vond, dat ON weten kon hoezeer ik aan zijn oordeel hechtte, enz.’ Brouwer sprak hierover ook uitvoerig met Kohnstamm: ‘Hij zei: ’t is voor ON heel pijnlijk, de laatste kans voorbij te zien gaan. Hij is heel laat tot ontwikkeling gekomen en nu is hij aan die kant aan alle zijden wondbaar. En nu zegt de voorz. v. Kerkopbouw: je bent te oud. Waardeering was noodig geweest. Ik vertelde, dat ik ON al veertig jaren kende en dat hij op alle manieren weten kon, hoezeer ik hem waardeerde. Ik deed een beroep op Kohnstamm, om zoo mogelijk ON van mijn goede bedoeling te overtuigen. Kohnstamm meende dat dit wel te heelen was.’ Over deze brief schrijft hij dan: ‘Zelf heb ik dinsdagavond (15.1.1935) nog aan ON geschreven, hem mijn oprechte spijt betuigd, dat ik blijkbaar den goeden toon niet had weten te treffen; maar dat ik niet geniepig met hem om kon gaan en eerlijk tegenover hem wou staan. Dat ’t niet alleen ging om dogmatiek, maar ook om practica, omdat de Synode ons nu eenmaal voor een dubbele taak stelde. En ik in de gegeven omstandigheden objectief oordeelend geen vrijheid kon vinden Berkelb. te passeren. Maar dat ik hem op allerlei wijzen waardeerde, zooals hij toch ook zelf wel kon weten. Er was mij zelfs wel verweten, dat ik ‘onder de zweep v. Noordmans’ in Kerkopbouw handelde. Dus ook anderen hadden mijn waardeering zeer zeker opgemerkt. En ik bleef hen even hoog stellen als ik altijd had gedaan. Hoe dit nu verder zal afloopen? Gegeven ’t Friesche karakter zal ’t wel een blijvende breuk worden, al meent Kohnstamm dat ’t wel in orde zal komen.’ Uit het verslag van Brouwer van de moderamenvergadering blijkt dat Brouwer een brief heeft gestuurd, waarin hij zijn positie als voorzitter ter discussie stelt. Dit was aanleiding om te spreken over een mogelijk opheffen van KO. Bij woorden van het verslag in KO 3 (1935) nr.9 ving vervolgens de tweede dag van de vergadering aan ‘met een ernstige en versterkende wijdingsstonde’: ‘... En toen bleek dat er geen sprake kon zijn van uit elkander gaan, zo min als van verandering van leiding. Bestaande moeilijkheden bleken ten dele op misverstanden te berusten en zouden voor het overige door samenspreking uit de weg geruimd worden.’ Brouwer maakte bekend aan te willen blijven als voorzitter, maar verklaarde, aldus de notulen, zich niet meer met de kerkpolitiek te willen bemoeien. Met het oog op dat aspect werd de reorganisatiecie. gecontinueerd met de opdracht ‘waakzaam en werkzaam’ (vgl. KO) te blijven. Deze cie., waarin ook ON zitting had, vergaderde reeds weer op 18.1.1935. ON liet daar verstek gaan: Vgl. het P.S. bij brief nr. 495 (16.1.1935). Zie ook brief nr. 493 (12.1.1935).↩

  2. 2

    Zie brief nr. 489 (10.1.1935).↩

  3. 3

    S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, zie brief nr. 415 (27.4.1932), n. 3.↩

  4. 4

    J.A. Cramer (1864-1952) werd in 1921 benoemd tot hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis RUU, zie brief nr. 311 (25.8.1919), n. 1.↩

  5. 5

    In 1934 was in het oktobernummer van KO een artikel van Brouwer verschenen, waarin hij erover klaagt dat het werk in Utrecht te zwaar is voor twee kerkelijke hoogleraren. Hij pleit voor de benoeming van een derde hoogleraar c.q. een lector.↩

  6. 6

    De briefwisseling tussen Brouwer en ON begon in juni 1897.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 493. G. van der Leeuw aan O. NoordmansLaren Gld.495. P. Scholten aan O. Noordmans →