229. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Meppel, 24 maart 1909
Amice frater,
Zeer vriendelijk dank voor de vererende uitnodiging namens het bestuur der Onderafdeling ‘Wonseradeel’ van het Nederlands Zendelingsgenootschap.1 Helaas, ik ben geen man van ’t woord. Op ’t punt van uitgaan en reizen, “swier to rissen.”2 In de inventie van schone en gepaste onderwerpen zeer onbedreven. Daardoor is het, ik zou bijna zeggen, haast een beginsel voor me geworden alle uitnodigingen om naar buiten te gaan spreken vriendelijk af te wijzen. Wat een hoop werk in de gemeente dat ongedaan blijft liggen. Wat een kwesties, waarvan de voorganger, de herder en leraar der gemeente niet veel meer dan het bestaan alleen kent! En dan naar links en rechts nog uitgaan om zijn licht te laten schijnen! In dit geval zou het echter ’t aantrekkelijke zijn om in Skuzum te logeren en oude vrienden te zien. Maar - dan ben ik nog voorzitter van de evangelisatie-vereniging in Havelte en omstreken,3 welke vereniging de laatste jaren op Hemelvaartsdag in Havelte een openluchtsamenkomst houdt. Dat bindt dan nog bovendien hier te blijven. Alzo zal er een meer illustere naam dan de mijne de schitterende reeks sprekers voor de onderafdeling Wonseradeel moeten vervolgen! En zal ik tot mijn leedwezen het aangezicht der vrienden en hun aangenaam gezelschap moeten missen. In elk geval ben ik blij, dat deze zaak aanleiding was om weer eens wat van je te horen en enige van je verzuchtingen te mogen beluisteren en mij aangepaste kritiek te mogen stichten. Ja, maar wat zal ik zeggen van vriend Paauwe.4 Zeker, ik heb zout met hem gegeten en ’t zou mij daarom misschien passen te zwijgen. Edoch was mijn oog op ’s heren Paauwes karakter ook niet onverdeeld gunstig, ofschoon de edele Willem de Bode5 beweert, in volle ernst, dat heer Paauwe in deze extra-singuliere vorm voor zichzelf in oprechtheid de waarheid gegrepen heeft. Singuliere mensen komen tot singuliere vormen. En overmits Willem de Bode een hoogstaand man is, wil ik heer Paauwe niet veroordelen en het beste maar van hem hopen. ’t Is anders al zonderling wat de klok van deze prediker klept. Toen hem de ogen geopend zijn voor het zeer verderfelijke van op een rijwiel te zitten, heeft hij het stalen ros, dat hem menigmaal geduldig getorst had, meegenomen naar een eenzame brug en het daar in het donkere, diepe water doen verzinken! Misschien heeft hij een diep inzicht gehad in het feit, dat de vraag, waarom dit niet voor veel gelds verkocht had kunnen worden en (desnoods) de armen gegeven, in het zwarte hart van een Judas is opgeklommen.6 Wie zal ’s mans overleggingen kunnen peilen? Ook verhaalt de legende, dat als de prediker op de preekstoel staat en de gedachten niet al te rijkelijk vloeien, dat hij dan tot stichting der gemeente plotseling in het houten gestoelte wegduikt, men zegt om te bidden, om dan na enige minuten weer op te duiken en de rede voort te zetten. Eén ding is alleen maar jammer, nl. dat dit nu degenen zijn die in deze tijden van verwarring het evangelielicht moeten laten schijnen. Jammer ook, dat deze ziekelijkheid vele gemeenten schijnt aan te tasten. Nee, dan is ’t “geniale” woord van De Hartog7 wat anders! Hij zegt grote waarheden. Het is ook mijn overtuiging dat onze theologie dikwijls ’t beste figuur in een oudheidsmuseum zou maken, zeer tot schade van ons religieus leven. En als bazuinblazer heeft hij, dunkt mij, een roeping in onze dagen, opdat er mogen komen om het braak liggende veld der theologie te bearbeiden zonder, koste wat ’t koste, altijd weer bij 1618/198 uit te komen. Ook om wat leven in te blazen in de geest van hen wier luiheid, moeheid en matheid hen op de dierbare confessie doet nederliggen en grimmig brommen. - Zeg, jij bent nu medewerker van ’t Friesch weekblad.9 Eén ding is heel jammer, dat jullie zodanig een eindredacteur10 hebben! Er zijn andere goede krachten aan. Wij maken ’t allen goed en verwachten in de mooie maand van mei een ...? Met hartelijke groeten, ook van Bon, tt.
N. Brouwer.
(AN)