Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Jaren Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Leiden

Weergave
Passages naar Readwise sturen

75. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 26 november 1891

Lieve Oepke!

‘Bij de onbereikbaarheid van het meer begeerde doel (onmiddellijke vereniging van allen op deugdelijke grondslag) moeten wij ons aan de bevordering van hetgeen vergelijkenderwijs wenselijk is, niet onttrekken, enz.’ Groen van Prinsterer.1⚑ Goed gezegd. Volkomen toegestemd. Praktisch mede bevorderd op het gebied van christelijk nationaal onderwijs. Onder voorbehoud echter dat nimmer het meer begeerde doel werd en wordt uit het oog verloren, noch de deugdelijke grondslag worde terzijde gezet. En hierover loopt juist het punt in kwestie: Groen wilde samenwerking om ons volk voor ondergang te behoeden als tijdelijke maatregel ter ontnuchtering. Maar begeerde als nationaal recht de revolutie van onze erve te verdrijven en tot onze grondwettige rechten van voor 1789 terug te keren. Dr. Kuyper daarentegen wil consequent toepassing van de grondwet der revolutie2 van regeringswege en zoekt in machtsontwikkeling en organiseren van individuele krachten (onder een revolutionaire grondwet) de antirevolutionaire beginselen te ontwikkelen om zo mogelijk tot een overwegende regeermacht te komen. De staat mag zich intussen noch met de kerk noch met de school bemoeien en wordt op sociaal gebied onmondig verklaard (tot tijd en wijle natuurlijk). Een zedelijke verplichting bestaat er dus voor de staat niet of ze over christenen of heidenen regeren, dat doet er niet toe. Is dit nu geen revolutie? Of is het antirevolutionair? Hoor slechts! ‘Een positief optreden van de overheid in zaken die op ons geestelijk leven betrekking hebben wordt onzerzijds niet alleen niet begeerd, maar principieel bestreden, (dr. A. Kuyper, zie het referaat van J. Eringa),3 zo ook op het gebied van de kerk.’4 Groen heeft nooit het recht van onze natie als een protestantse natie prijs gegeven, maar altijd met hand en tand aan dat onvervreemdbaar recht vastgehouden.5 En de hervormde kerk steeds hoe ook gehavend en gescheurd, erkend als gegrondvest in onze nationale vrijheid en niet minder op schoolgebied. Denk slechts aan de strijd tussen Groen en Van der Brugghen6 (u zeker wel bekend). Alleen uit nooddwang, als gevolg van de revolutie toegepast ook op schoolgebied, heeft hij de christelijke nationale school aanvaard tot tijd en wijle de natie door beter nationaal onderwijs zou komen tot de overtuiging van de verderfelijke strekking van de revolutie. Natuurlijk heeft ook het sociale vraagstuk met dit onderscheid te rekenen. Beginnen wij van God uit, die ons volksbestaan tot een organisch geheel met zijn staatswetten en godsdienst met zijn overheden en onderdanen als een geheel in deze landen tot een volk te zamen gevoegd, en al de onderdanen als delen van dat geheel zijn plaats en stand heeft aangewezen, hen tevens gevende rechtens wetten en vrijheden om naar te leven, dan bestaat de hoogste eenheid van dat volk in hun God en heeft ieder zich op zijn plaats, rang en stand te gedragen overeenkomstig de ordeningen Gods, enz. Gaat men echter uit van het recht van de individu, vrijheid, gelijkheid, broederschap, dan zoekt men zijn kracht in vereniging van gelijkgezinden om door vereende krachten de algemene opinie te bewerken tot het voorgestelde doel. Heeft men zich nu een doel voorgesteld, dat op zichzelf zeer gewenst is, ja hoogstnodig verbetering eist, voorzeker het wordt toegejuicht. Wie zou niet meedoen die nog enig hart heeft voor zijn arme broeder. Immers de apostolische tijden zijn voorbij, maar toch, enz., enz. [...] een eerste en herhaalde broederlijke vermaning, en wil hij dan nog desnietegenstaande gebruik maken van het bondzegel van het avondmaal, zie dat is spotten met het heilige, dat is heiligschennis en mogen de opzieners van de gemeente niet laten begaan. Op zo iemand moet de kerkelijke tucht toegepast worden, niet om te verderven, maar om te behouden, niet om te veroordelen, maar om te redden. Heeft nu de handeling van een kerkeraad zich in dezer voege toegedragen, zodat op grond van de heilige Schrift en in overeenstemming met het belijdend karakter der kerk, de kerkelijke tucht op een moderne is toegepast, en hem het gebruik van het heilig avondmaal tot boete en bekering is ontzegd, zie dan mogen de kerkelijke besturen niet belemmerend in de weg treden. De handhaving van de tucht in de boezem van de gemeente behoort eenvoudig niet tot de competentie van de besturen. Het belijdend karakter van de kerk laat hen dit niet toe, en zelfs bij de organisatie van 1816 is het uitdrukkelijk bepaald, dat de besturen niet zouden ingrijpen in zaken rakende de belijdenis, als behorende tot het wezen van de Nederlandse hervormde kerk, die door de organisatie van 1816 niet is gemaakt - maar bestond en onveranderd zou blijven bestaan wat haar wezen, namelijk de belijdenis, betreft. Doen nu echter de kerkelijke besturen zulke wederrechtelijke daden en worden er uit hun bediening predikanten en kerkeraden ontzet, omdat ze op boven omschreven wijze hun plicht hebben gedaan, dan kunnen ze voor God en ook voor de besturen zulk een handeling onmogelijk herroepen - mogen zij echter eigenmachtig handelend optreden en het verband verbreken met andere gemeenten waarmee zij wegens de belijdeniseenheid verbonden zijn? Of moeten ze onder protest van onrecht, roepen tot de hoogste Rechter van hemel en aarde om recht en tevens steeds hun goed recht volhoudende tegen degenen die hen overlast aandoen, zich lijdelijk onderwerpend tot tijd en wijle hun recht geschied? M.i. het laatste. Gij moet echter wel in het oog houden, dat men thans, in vele orthodoxe kringen er ver af is, om het recht en de plicht tot het heilig bondszegel van de moderne vast te houden, men vergelijkt ze veel liever bij Egyptenaren van welke het volk des Heren moet uittrekken, of bij de lieden van Askelon op welker straten gejuich is - en merkt niet dat dit door en door ongereformeerd is. Lees s.v.p. in deze ... ons overschoon doopsformulier, lees en bestudeer op dat gebied in de Labadie en hiermee heb ik alweer uw vraaag wijdlopiger beantwoord dan ik mij eerst had voorgesteld. Over andere zaken voor dit maal niets. Alles is wel, hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder, zuster en broeders, nicht, Ymkje en Gerben, uw u liefhebbende vader D.P. Noordmans.

Stelt ge prijs op uws Vaders oordeel, bewaar dan deze en de vorige brief.

Na het sluiten van mijn brief sloeg ik Wormser7 na (die zeker niet tot de bekrompen richting in de kerk mag gerekend worden). Hij zegt op blz. 23 als volgt:

‘Het is zo iedere christelijke gezindheid behoort voor zichzelf te staan naar de grootste zuiverheid in leer en wandel, en is verplicht dwalenden en goddelozen, die op de duur het tegenovergestelde van geloof en godzaligheid openbaren van haar gemeenschap te weren...

De doop van ieder gedoopte moet worden erkend, zolang hij zelf die doop niet uitdrukkelijk veracht...’

De strijd moet dus niet gericht zijn tegen zijn doop: maar zijn doop moet erkend en aangewend worden tegen zijn dwaling en zonde. En zie daar het punt van uitgang voor alle ‘innere Mission’, voor alle reformatie onder de christenen, in onderscheiding van de prediking van het evangelie aan Joden en heidenen. Mijn conclusie is dus, hypocrieten kan de ware kerk van Jezus Christus niet uit hun midden weren omdat ze niet te onderkennen zijn van de ware gelovigen. Openbare ongelovigen en goddelozen mag de zichtbare kerk in hun midden niet dulden maar moet ze uit haar gemeenschap weren. Wederaanneming na boete en bekering staat niet gelijk met een eerste aanneming van heidenen tot de gemeenschap van de kerk maar staat in onderscheiding gelijk aan de wederinenting van de natuurlijke takken (de Joden) en de inenting van wilde takken (de heidenen). Van tweëen een zie ik dus niet, maar wel van twee tot een, indien men maar behoorlijk onderscheidt en de zaken niet door elkaar haspelt, zo als gij in uw vorige brief schreeft. Wij zijn allen goed gezondt. Ook ik zelf gevoel mij thans redelijk goed gezond. Als voren uw u liefhebbende vader, D.P. Noordmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    G. Groen van Prinsterer Grondwetsherziening en eensgezindheid (Amsterdam 1849), 93. G. Groen van Prinsterer (1801-1876), jurist, historicus, christelijk staatsman, gepromoveerd in de rechten en klassieke letteren, advocaat te ’s-Gravenhage 1823; in 1827 werd hij referendaris en later (tot 1836) secretaris van het kabinet des konings te Brussel, waar hij kennis maakte met de adviseur van de koning: Willem de Clercq; vervolgens kamerlid 1849-1866. In kerkelijk opzicht was Groen voorstander van handhaving van de belijdenis langs juridische weg, hij wees de Afscheiding van 1834 af. Vanaf 1850 redigeerde hij De Nederlander, oorspronkelijk ter verbreiding van de antirevolutionaire beginselen. In 1864 richtte hij de Confessionele Vereniging op. Belangrijke publikaties: o.a. Nederlandsche Gedachten (’s-Gravenhage 1829-1832, Amsterdam 1869-1876); Handboek der Geschiedenis van het Vaderland (Leiden 1846); Ongeloof en Revolutie (Leiden 1847).↩

  2. 2

    De liberale grondwet van 1848.↩

  3. 3

    In De Gereformeerde Kerk 3 (11.6.1891) nr. 140 wordt vermeld dat J.P. Eringa (zie brief nr. 26 (12.3.1887), n. 6) op 4.6.1891 een referaat hield op de jaarvergadering van de Confessionele Vereniging over ‘de verhouding van Kerk en Staat naar de belijdenis der Gereformeerde Kerk.’↩

  4. 4

    Verwoording van de maxime van de ‘souvereiniteit in eigen kring.’↩

  5. 5

    Groen van Prinsterer zag Nederland als een in essentie protestantse natie met de NHK als kern van de staat. Zie Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, 55vv.↩

  6. 6

    Het gaat hier om het conflict tussen de beide antirevolutionairen Groen van Prinsterer en mr. J.J.L. van der Brugghen rond de schoolwet van 1857. Tijdens het conservatieve kabinet Van Hall (1853-1856) ontbrandde de discussie over de positie van het onderwijs. Het debat spitste zich toe op de inhoud van het protestants-christelijke karakter van de Nederlandse staat en leidde tot de val van het kabinet. Van der Brugghen werd benoemd tot formateur om de onderwijskwestie op te lossen. De door hem ontworpen wet voorzag in staats-scholen, waarop geen godsdienstig onderwijs verplicht zou zijn (gemengde overheidsschool), en in bijzondere scholen voor levensovertuigingen die op de staatsscholen geen weerklank zouden vinden (vrije bijzondere school). Dit was echter geheel tegen de visie van Groen, die zich daarom fel verzette. Het ontwerp werd echter met grote meerderheid aangenomen, waarmee de vrijheid van onderwijs een feit werd. Dit was het eerste conflict tussen ‘ethischen’ en ‘confessionelen’ over de invloed van het christendom en zijn rol in het openbare leven. Zie: A. Goslinga, ‘Het conflict Groen-Van der Brugghen’ in Christendom en Historie (Amsterdam 1925), 265-374; D.Th. Kuiper De Voormannen; een sociaal-wetenschappelijke studie over ideologie, konflikt en kerngroepvorming binnen de gereformeerde wereld in Nederland tussen 1820 en 1930 (diss. Kampen 1972), 67vv. en 97vv. J.J.L. van der Brugghen (1804-1863), antirevolutionair politicus, evenals Groen afkomstig uit het Réveil; hij accepteerde i.t.t. Groen niet de gedachte van een christelijke staat en in kerkelijk opzicht was hij tegenstander van juridische tucht. Van de Brugghen ijverde voor het christelijk bijzonder onderwijs, was stichter en president-curator van de ‘Klokkenberg’, de eerste christelijke kweekschool in Nederland (1846).↩

  7. 7

    J.A. Wormser De Kinderdoop, 23.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 74. Ouders aan OepkeLeiden76. Oepke aan zijn ouders →