43. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 3 juli 1888
Lieve Oepke!
Gelijk regen in de oogst, alzo past een zot de eer niet, zegt de wijste der koningen.1 Dit eerste ervaren ook wij thans weder, maar verderft mijn hooi dan wassen mijn planten, ook dit is even waar en met het oog op dit één en ander, maar bovenal als de onderwerping aan Gods albestier rust geeft, kunnen wij kalm zijn in allerlei ervaringen des levens. Nu, enigermate in deze stemming schrijf ik u deze letteren. En dewijl ik bovenaan met de oogst begin, zal ik u maar eerst op de hoogte dienaangaande brengen, we zijn bijna gevorderd tot aan de grote fenne,2 ruim dertig pondemaat3 is gehooid en binnengehaald, zeventien pondemaat moet nog; doch dewijl de fenne veel ruimer beschot4 oplevert, zo is de kleinste helft van het hooi nog buiten. Was het eerst wat schaars aan kwantiteit, in kwaliteit is het des te beter. De weide voor de koeien is zeer goed. Verder meld ik u dat Oepke5 een paar dagen is thuis geweest, maar thans nog eens naar Amsterdam is vertrokken, om het 25-jarig huwelijksfeest van Dr. Kuyper mee te vieren. D.V. komt hij in het laatst van deze week weder terug. De Van Dijken zijn beiden reeds voor goed thuis.6 Jakob Eringa is geslaagd voor het proponentsexamen en Dirk7 is geslaagd voor het eindexamen van het gymnasium en ook Rudolf Enderlé.8 Jitske Eringa9 gaat met een week of zes trouwen met Minne Tjaarda uit O[osterend]. Tjeerd de Jong van Hylaard is na een ongesteldheid van slechts drie dagen gestorven (inlandse cholera). Bij ons, bij Lambers en Trijntje en bij Van der Meer en Baaije is alles wel. D.V. komt Trijntje eerstdaags een paar nachten bij ons logeren met de twee kleinste kinderen. Nu lieve Oep, dewijl ik deze letteren meer schrijf om eens weer iets van ons te doen horen dan wel omdat ik bijzonders heb te melden, zo wil ik hiermee eindigen. D.V. hopen wij u over veertien dagen weer in de ouderlijke woning te ontvangen. Wees intussen hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder - zuster en broeders en nicht, uw u liefhebbende vader
D.P. Noordmans.
(moeder)
Scharnegoutum, 3 juli 1888
Dag Oepke,
Ik verlang weer zeer naar uw thuiskomst, mogen wij elkander dan maar weer in gezondheid ontmoeten. Het leven is zo onzeker, hoe lang zal het duren? Dat hebben wij aan het onverwacht overlijden van Stien de Jong gezien, het leven is als een damp, die een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. Dat wordt ons in waarheid zo klaar voorgesteld en de ondervinding bevestigt het, is het niet waar, Oepke? Wanneer die tijd komt voor ons dat wij van hier moeten scheiden en het tijdelijke met het eeuwige moeten verwisselen, dat wij dan maar bereid mogen wezen; en bereid te zijn kan niet met minder toe dan dat wij een borg voor onze zonden hebben en die borg wil de Here Jezus voor ons zijn, indien wij met onze schuld en zonden tot Hem gaan en zeggen: het pak is mij te zwaar, Here, zo wil Hij het ons afnemen, en zo wij met een oprecht geloof tot Hem gaan, zo zal God ons in genade aannemen door en alleen om de zoenverdiensten van Jezus Christus, niet om iets dat in of aan ons is, dan zouden wij voor eeuwig verloren zijn. De Here God is te rein van ogen om het kwade aan te zien, dus zouden wij buiten Christus moeten verloren gaan, maar zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eengeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet en verderve10 maar het eeuwige leven hebbe. Och, mijn zoon Oepke, mocht dat uw en mijn en ons aller deel worden als wij sterven, dat wij dan bereid mogen bevonden worden. Mocht dat veel onze bede en begeerte zijn. Here, leer mij mijn dagen tellen, opdat ik een wijs hart bekome en bereid mag zijn als die dag en ure komt. Dit is moeders hand, die dit van harte schrijft en begeert. Nu, lieve Oepke, moet ik wel eindigen. Nog eens dit kleine versje:
‘Och wanneer mijn oog eens breekt,
het angstig doodszweet van mij leekt
dat Uw bloed mijn hoop dan wekke
en mijn schuld voor God bedekke.’11
De hartelijke groeten van uw liefhebbende moe
G. Noordmans-de Roos.
(AN)