23. Oepke aan zijn ouders
Gymnasium, Zetten, 30 januari 1887
Geliefde Ouders,
De brief, die vader mij geschreven heeft, heb ik in goede welstand ontvangen. Ik vernam daaruit dat Jacob mijn brief had ontvangen. Vader zei dat de voorjaarszon al weer begeerlijker begon te worden dan het ijs. Nu, ik kan mij best voorstellen dat vader die liever heeft, maar ik ben nog niet verzadigd van het ijsvermaak. Wij hebben hier dan ook nog eens lekker gereden. Maar, zoals het nu schijnt zal de voorjaarszon de overhand wel krijgen. De wegen zijn hier verschrikkelijk vuil. Dat ondervond ik vanmorgen ook nog. Ds. van Lingen heeft vanmorgen gesproken te Randwijk, een dorp, dat hier zowat drie kwartier van Zetten afligt. Zoals gij denk ik wel vernomen hebt, mag ds. van Lingen niet meer in de kerk spreken en daarenboven is er daar ook nog een moderne dominee.1 Hij heeft daar nu in een tabaksschuur gesproken, waar in de zomer tabak wordt gedroogd. Aan de ene kant stonden een koe en een geit en waren enige varkens en aan de andere kant waren kippen. In het midden en aan de kant waren planken over schammels2 gelegd en daar hebben wij toen op gezeten. Donderdagavond zullen wij hier zo God wil en wij leven jongelingsfeest hebben. Ds. van Lingen zal dan eerst een feestrede in de kerk houden en verder zullen wij dan ’s avonds feest in de zaal vieren. Hoe gaat het tegenwoordig met Tjitse3 van meester de Jong? Ook wou ik vader wel eens verzoeken om in een volgende brief mij het adres van Oepke de Roos eens op te geven, ik weet het wel zowat maar toch niet secuur. Vader heeft zeker de kwitantie ook wel ontvangen, die bij Anna’s brief inzat. Het is nu morgen al weer de eerste februari en we zijn al weer een dikke twee weken hier. Uit vader’s brief vernam ik dat Lambers en Trijntje bij ons waren te logeren, ik weet natuurlijk niet of zij er nog zijn. Zo ja, doe dan vooral de groeten aan hen. Lambers was naar Assen, schreef vader en Trijntje zal er dus nog wel zijn. En dan Betje, Sjoerdje en Grada,4 die zullen ook leven genoeg meebrengen. Ik ben goed gezond en hoop dat vader en moeder en al de overigen het ook mogen zijn. Breng de hartelijke groeten over aan Trijntje, Anna, Jaap, Gep, Pier en Iemkje en ontvang zelf tenslotte ook de hartelijke groeten van uw u liefhebbende zoon (Oepke)
Lieve Pier!
Ik dacht, ik moest u ook maar eens een klein lettertje schrijven, al is het niet veel. Ik denk dat je nog al eens lekker zult gereden hebben want de sneeuw was op het laatst weg. Melk je ’s avonds de kjetten5 nog al of is de grap uit? Je zult nu zeker wel een boel pret hebben met Betje en Sjoerdje? Ben je nog al eens met Jaap aan het dammen of molen?6 Nu dan zal je het nog wel niet kunnen winnen, denk ik. Nu Pier, ik moet nu ophouden, later zul je een lange brief van me hebben hoor! maar dan moet je me ook eens schrijven. Gegroet van je liefhebbende broer
(Oepke)
(AN)