84. Oepke aan zijn ouders
Leiden, 14 mei 1892
Geliefde ouders!
Reeds in het kort maakte ik melding van mijn reis. Te IJlst trof ik gezelschap. We zijn toen te Amsterdam een trein overgebleven, spoorden daarbij voorbij een brandend huis en kwamen te Leiden aan om 11 uur, stapten toen op de tram, tot dicht bij mijn kamer, waar ik met mijn koffer uit de tram sprong met het gevolg, dat ik op mijn lijf rolde, wat weer tengevolge had dat er een vervaarlijke scheur in mijn broek ontstond, die lastig te [herstellen] zal zijn. We zullen intussen alle pogingen aanwenden. Dat uit de tram springen schijnt tegenwoordig [gebruik] te zijn, althans ds. Gunning1 is er ook uitgesprongen met het gevolg dat hij nu met zijn been in het buitenland zit, natuurlijk met allebei. Nu, mijn broek behoeft niet naar het buitenland, zolang er snijders zijn als Oudendag.2 Ik kan tegenwoordig niet best slapen. Dat komt, ik wil een gedicht maken, en hoe ik het ook probeer, in de tweede of derde regel komt altijd weer ‘lytse feint’3 te staan en dat mag er niet in. Dan begin ik maar weer opnieuw. Jakob Eringa is hier ook in de stad geweest. Dirk is door zijn proponentsexamen en komt hier woensdag. ’t Is tegenwoordig mooi weer. Maar dat is geen nieuws. Ik verwacht spoedig eens een verslag van Pier over de stand van zaken en over de eierleg. Wij hebben hier nog een nieuwe dominee gekregen, De Hoest,4 vroeger in Leeuwarden. Na groeten, uw liefhebbende
Oepke.
P.S. Zo pas kreeg ik een brief. ’t Is waar, ik heb wel wat lang gewacht. Maar, getuige de datum van mijn brief, ik had al veertien dagen geleden geschreven, en nog altijd lag de brief in de kast. Nu greep ik naar de pen, en ziet, mijn inkt is opgedroogd. Geen wonder! ’t Is hier ook tropisch. ’t Is hier tegenwoordig vervaarlijk warm. De boter braadt op mijn kamer als in een pannekoek. Ik bedoel een koekepan. Mijn neus droogt bijna krom. Maar ik zal er maar niet over klagen. ’t Is lang genoeg koud geweest. Alleen is het maar wat lastig, daar ik vlak voor mijn examen zit. Woensdag doe ik D.V. examen, Ik stuur dan wel eventjes bericht. ’k Heb ds. Van Dijk5 hier gehad, die verzocht mij bij hem te komen een paar nachten. ’k Heb met veel belangstelling Piers kalverkroniek gelezen. Hij is echter niet volledig. Allerlei vragen doorkruisten nog mijn brein, b.v. is Gerrit6 ook gebleven? Hoe staat het met de mieden?7 Is het in Friesland ook warm? en meer dergelijke. Hogelijk werd mijn lachlust opgewekt door de dichterlijke ontboezemingen van de heer Pier aan het slot van de werkelijk boeiende kroniek van dien heer, die alleen maar onderweg door de warmte een beetje droog geworden was. Ik ben gezond, maar zweet mij aan water, gegroet uw u liefhebbende zoon
Oepke.
(AN)