95. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 22 april 1893
Lieve Oepke!
Uit uw schrijven van 20 april hebben wij gemerkt, dat gij het telegram, door ons 20 april afgezonden, nog niet had ontvangen. Aan uw verzoek om iemand te zenden om u gezelschap te houden,1 kunnen wij onmogelijk voldoen. Alleen aan Van der Meer hadden wij gedacht, doch Gep was erg ziek, en ook Baaije kon haar man niet afstaan (wat begrijpelijk is). Daarenboven heeft Van der Meer vrijwat kans om te Bolsward geplaatst te worden.2 Onze Jakob heeft er ook al over gepraat, maar vooreerst kon hij de reis niet alleen doen - en daarbij nog een tweede zoon zo ver in de vreemde, ook daartoe konden moeder en ik niet besluiten. En wie anders? Van tweeën één zal dus moeten: kunt gij blijven om uw zenuwgestel en komt het u voor dat uw blijven bevorderlijk is voor uw volkomen herstelling, dan raden wij u blijven aan. De kuur is nu eenmaal ondernomen. Doch gaat dit niet, kom dan terug, zo spoedig als gij dit zelf nodig keurt. Mocht het zijn dat gij tot terugkomen besluit, dan zal er op andere wijze genezing kunnen beproefd worden. Verder kan ik u melden dat wij allen gezond zijn. Ook kleine Gep is wat beter. Met de boerderij is het goed. Wij hebben nog 7 kalveren en 9 lammeren. Het lam met de vreemde nek leeft nog en groeit goed, maar moet nog altijd geholpen worden. De weiden zijn goed doch gaan thans niet veel vooruit wijl het altijd droog is. Doch onze hooivoorraad is voldoende. Met oom Jakob3 gaat het nog niet beter. Uw tweede brief bleef een dag liggen, dewijl wij een nacht naar Rijperkerk waren. Anders had gij het telegram eerder gekregen en bij de derde dacht ik: nu komt Oepke toch na de ontvangst van het telegram dadelijk terug en daarom schreef ik geen brief. Maar nu schrijft gij van later meer te zullen schrijven, dit doet ons denken dat gij nog niet dadelijk terugkomt. En ziedaar dit antwoord op uw laatste schrijven. Bijzonderheden weet ik niet meer te schrijven, doch een kan ik voor u niet verzwijgen: zij is deze dat des Heren daden wonderlijk zijn en menigmaal voor ons in de diepte liggen. Hij beware u ook ter plaatse waar gij u thans bevindt, en dat onze gebeden elkander mogen ontmoeten ter plaatse waar wij onze harten mogen uitstorten en onze bezwaren mogen ontlasten. Blijft gij voorshands nog, wil ons dan zo mogelijk iets schrijven hoe gij het hebt: leefwijze, behandeling, enz., enz. Lambers heeft gezegd u ook te zullen schrijven. De hartelijke groeten van vader en moeder, Jakob, Pier, Gep, enz., uw u liefhebbende vader en moeder
D.P. Noordmans en G.O. de Roos.
(AN)