123. Oepke aan zijn ouders
Utrecht, 11 juli 1897
Geliefde Ouders!
Ge hebt zeker als deze brief aankomt reeds enige meer uitvoerige berichten aangaande mij ontvangen door ds. Flieringa. Bijzonderheden daaromtrent behoef ik dus niet te schrijven. Aanstaande woensdag verwacht ik Van Dijk en Anna hier, die een trein bij me overblijven. De tijd vervliegt sneller voor mij dan ik gedacht had. Ik kan me niet begrijpen dat ik alreeds bijna 4 weken hier ben. Vanmorgen ben ik in de kerk geweest bij ds. De Lind van Wijngaarden.1 Hij had tot onderwerp de bekering van Paulus.2 Hij zei dat vele mensen gaarne een bekeringsgeschiedenis hoorden, maar die dan gebruikten als Wet en niet als Evangelie. Ze zagen er in een pad, dat ze langs, en niet een roepstem die ze horen moesten. Wat komen hier toch een mensen in de kerken. Grote kerken en toch propvol. Utrecht is een zeer kerkse stad. Ik ben weer een beetje begonnen met lezen. Van Velthuizen wil dat ik altijd zoveel mogelijk mij inspan. Hij zegt dat ik hier niet gekomen ben om fris te zijn, maar om fris te worden. Alle verschijnselen van de ziekte, die vroeger zich voorgedaan hebben, moeten terugkomen en dan uit het lichaam gevoerd. Hij twijfelt in het minst niet aan mijn genezing. Als ik op die voorbeelden zie, die hij kan tonen, dan moet ik ook zeggen, dat het een methode is, waardoor verbazend veel kan worden tot stand gebracht. In allen gevalle is het noodzakelijk dat het ‘uw zonden zijn u vergeven’ voor ons meer waarde hebbe dan het ‘neem uw beddeke op en wandel.’3 Wij zoeken zoveel het leven in het aardse, dat voorbij gaat. De hogere dingen zijn ons zo weinig werkelijkheid. Gaarne heb ik spoedig een bericht terug. Uw liefhebbende zoon
Oepke.
Groet allen van mij.
(AN)