119. Oepke aan zijn ouders
Utrecht, 27 juni 1897
Geliefde ouders!
Hoewel ik geen bepaald nieuws te schrijven heb, zo zal een brief van mij u toch zeker nooit onwelkom zijn. Vandaag, zondag, word ik niet behandeld. Mijnheer Van Velthuizen is naar zijn oom in Den Bosch. Maar toch ook andere zondagen doet hij dit niet. Gisteren heb ik hem nog eens gevraagd wat ik naar huis kon schrijven over de behandeling. Hij zei, dat ik gerust kon schrijven, dat naar menselijke berekening en zoveel als hij er van zien kon, ik deze herfst weer zou kunnen beginnen met de studie. In augustus zou ik waarschijnlijk een veertien dagen naar huis kunnen gaan wegens de warmte, waardoor hem het werken moeilijk valt, n.l. de vochtige najaarswarmte. Wat mijn eigen hoop betreft moet ik zeggen dat ik in mijn voorstelling de studie nog nooit zo dicht bij mij heb gezien. Allerlei redenen leiden mij hiertoe. Ook is mijn hoofd reeds iets beter. Een brief schrijven gaat tamelijk goed, en ook heb ik weer een boek onder handen genomen. Ik moet mij geregeld inspannen, zegt Van Velthuizen, zo moet de ziektestof worden opgewekt, en door zijn behandeling worden weggevoerd. Van Velthuizen is een godsdienstig man, maar geen christen. Hij zegt, dat het magnetisme geen kracht is die van hem uitgaat, maar door hem, en uitgaat van God. Wie dat niet gelooft, zegt hij, kan geen genezing tot stand brengen. Ik heb gezien dat Van Gilse in Sneek met één stem meerderheid is gekozen.1 Dat spijt mij. Ds. Gunning2 dankte vanmorgen, dat God ons land voor een ramp had behoed, dus dat de liberalen aan het roer blijven. Groen van Prinsterer zou zich omdraaien in zijn graf als hij het hoorde. Hier in Utrecht stemmen bijna alle hervormden op de liberalen. Na groeten uw u liefhebbende zoon
Oepke.
(AN)