34. Oepke aan zijn ouders
Zetten, 11 februari 1888
Geliefde ouders!
Donderdag ontving ik een briefkaart en een postpakket. Ik dacht, wat zal daar in zitten en toen ik het opendeed was er worst in. Ik dank vader en moeder er hartelijk voor en ik laat ze mij goed smaken. De appels die er bij waren smaken ook goed. Verleden week is Van Rennes,1 die hier bij het gymnasium inwoonde, opgedragen2 en zijn vrouw is nu ook niet goed. De vrouw van een onzer leraren heeft de keelziekte en hij mag nu niet lesgeven. Deze week zouden bijna vijf van de oudste jongens weggegaan zijn. Verleden zondag waren zij ’s morgens niet in de kerk geweest en nu wilde ds. van Lingen, dat zij een preek uit zouden schrijven. Dit wilden zij niet en nu zouden zij vertrokken zijn, als niet de leraars tussenbeide waren gekomen. Zij zijn toen één voor één bij dominé geweest en allen gebleven. Wij zouden anders dinsdag jongelingsfeest hebben gehad en hadden ds. Bavinck3 uitgenodigd als feestredenaar, maar nu met deze ruzie komt er van ’t jaar niet van. Hierbij is de kwitantie ingesloten van ds. van Lingen. De groeten aan Anna, Jaap, Pier, Ymkje en Gerben en vooral aan vader en moeder van uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)