139. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 14 november 1897
Lieve Oepke!
Aan uw verlangen om spoedig een schrijven van ons te ontvangen, wil ik gaarne voldoen. Om met Gep te beginnen, haar keelontsteking heeft nogal ingrijpende gevolgen. Twee dagen achtereen heeft zij geheel het bed moeten houden. En nu komt zij er ’s morgens en ’s avonds een paar uur af. De keel is veel beter, maar dewijl er ook binnenkoorts mee vergezeld gaat, hetwelk zweten veroorzaakt, zo zijn haar krachten weer vrijwat afgenomen. Vandaag heeft zij wat diarree, niet ziek maar, zoals gij weet, zij is nog altijd verkleumd als zij niet in een hete kamer is. Thans blijft zij daags in haar kamertje. Overigens zijn wij gezond, maar moeder heeft het soms druk genoeg. Deze week hebben wij ook geslacht. De koe woog, met het smeer (100 kilo) zeshonderd achtentachtig pond, prachtig vlees. Wij hebben tengevolge van het mooie weer zes melkkoeien, drie stieren en zes kalveren in het land. Met de vaarse koeien gaat het goed. Het kranke been van langhoorn blijft gelijk. Zij kan er zich nogal goed mee redden, maar het betert nog niet. De kuikens van Piers leggen nog geen eieren, hij krijgt van de andere kippen 1, 2 à 3 eieren, ook wel eens niets. Zij zijn echter nog in zeer goede doen, zodat er alle dagen meer eieren worden verwacht. De vrouw van Bruinsma is in de vorige week overleden. Met de andere zieken gaat het zo wat op en af. De vrouw van de kuiper gaat achteruit. Bij Jakob en Ruurtje gaat het goed met de mazelen en ook met het vee ...1 Nu word ik uitgepraat als ik mij alleen op de oppervlakte zal houden. Gaarne zou ik met u spreken en schrijven over zaken die dieper liggen en van hogere betekenis zijn doch D.V. hoop ik hiervoor later nog tijd en gelegenheid te hebben als de Here u en mij nog het leven spaart en het Hem nog mag behagen u uw volkomen gezondheid terug te geven. Dan is er op het arbeidsveld dat wit is om te oogsten,2 ook voor u nog o zo veel te doen, en dat het bij mij een ernstig begeren is, en een aanhoudend gebed, dat Hij u geestelijk en lichamelijk tot dat werk moge bekwamen, zal ik u wel niet behoeven te zeggen - en zou Hij het zeggen en niet doen, beloven en niet volbrengen, voorzeker Hij is de Here, Hij doet alles wat Hem behaagt, maar Hij is ook de Here wiens Naam Ontfermer is. Hij is genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid.3 Of ook mijn ogen het zullen zien en mijn oren het zullen horen in deze? God weet het. En wij zullen het na deze verstaan en daarom: zwijg Gode, van Hem is mijn verwachting.4 Nog kan ik u melden dat Van der Meer te Birdaard is benoemd tot directeur aan de aldaar op te richten zuivelfabriek. Onze fabriek is reeds geheel onderdak, met pannen en al. En de opvaart is reeds halverwege gesloten. Het werk gaat met dit mooie weer zeer voorspoedig. Wees verder van harte gegroet van uw u liefhebbende vader en moeder en ook van Pier en Gep, Jantje en Reintje en Gerben. Uw u liefhebbende vader en moeder
D.P. Noordmans en G.O. de Roos.
Schrijf ook spoedig terug.
(AN)