130. Oepke aan zijn ouders
Utrecht, 12 september 1897
Geliefde Ouders!
De deken is in goede welstand overgekomen. Het mesje had ik bij de eerste greep in een mijner zakken. Thans is het zondag. Vanmorgen ben ik in de kerk geweest bij ds. Gunning,1 die weer zijn eerste preek deed na de zomervacantie. Hij preekte over de zee, waar hij zijn vacantie heeft doorgebracht. Toen heb ik bij Van Velthuizen koffie gedronken. Zijn zoon uit Den Bosch met diens vrouw was over. Daarna gegeten en gewandeld. ’t Weer is prachtig. Ik heb bij Wristers de delen van Appelius2 betaald. Daar heb ik gevraagd waar ds. Felix3 woonde. Toen ben ik daarheen gegaan. Hij was echter niet thuis. De volgende morgen 10 uur heb ik hem toen weer opgezocht. Hij heeft toen een uurtje op zijn studeerkamer met mij gepraat. Het is een aardige oude man en ziet er nog krachtig en sterk uit voor zijn drieënzeventigjarige leeftijd. Hij verwonderde zich dat vader al zo oud was, zoals hij zeide, hem al zo na aan zijn broek zat. Hij had het over de kwattepiep,4 enz., vertelde mij over zijn werkzaamheden in Friesland en vroeg mij over mijn gezondheid. Hij heeft ook medicijnen gestudeerd. Met mijn toestand gaat het best. Zoals ik wel verwachtte, is het hoofd er eerst weer niet beter op geworden, daar de ziektestof weer uit zijn schuilhoeken wordt opgejaagd en daardoor ook weer meer naar het hoofd stijgt. Maar zo moet het er uit. Mijn hoofd is echter voor mijn doen zeer goed. Spoedig verwacht ik een bericht terug. Groet allen van mij. Als altijd uw liefhebbende
Oepke.
(AN)