38. Oepke aan zijn ouders
Zetten, 17 april 1888
Geliefde ouders!
Vader had mij gevraagd of ik nu ook een uitvoerig reisbericht zou schrijven. Ik heb een goede reis gehad, maar zoveel merkwaardigs is er ook al niet gebeurd. Toen wij te Goutum1 in de trein stapten zaten er twee studenten in: Jan Miedema van Wommels,2 en een oud-Zettenaar, die bij hem uit van huis3 was. Te Sneek moesten wij een kwartiertje wachten en toen wij in de sneltrein gingen, zaten daar ook een paar studenten, onder andere Ploos4 en Rudolf.5 Op zee was het prachtig weer. Om tien uur zaten wij op Oepke6 zijn kamer. Hij heeft nogal een nette kamer. Er kwam ook nog een student bij hem te praten. ’s Nachts sliepen wij samen in een eenmansledikant. Vanmorgen ben ik eventjes naar Harm en Janke7 geweest. Harm was niet thuis. Om twaalf uur gingen wij naar de trein. De chef zei echter dat de trein niet om twaalf uur maar om 13.26 ging. Wij hebben toen nog eventjes bij Oepke koffie gedronken en zijn om 1 uur weer naar de trein gegaan. In Kesteren moest ik een kwartiertje wachten en de trein kwam ook nog een half uurtje te laat, zodat ik niet op tijd voor het eten kwam. Ik zit nu weer op mijn kamer. Nu, zie hier mijn reis. Meer byzonders weet ik niet. De groeten aan Anne van Dijk, Jaap, Gep, Pier, Ymkje en Germ. Wees zelf ook hartelijk gegroet van uw u liefhebbende zoon,
Oepke.
(AN)